Het belang van sociale ondernemers voor een inclusieve arbeidsmarkt

Voor velen is werken iets vanzelfsprekends, maar wanneer je een afstand tot de arbeidsmarkt hebt, is dat het helemaal niet. Wanneer je die afstand hebt, door bijvoorbeeld een psychische kwetsbaarheid, verslavings- of justitiële achtergrond, dan is het lastig om een plekje op de reguliere arbeidsmarkt te veroveren. Maar wat weten we over de relatie tussen psychische aandoeningen en werk? Juist. Werk heeft een positief effect op de gezondheid.

Uit onderzoek is gebleken dat mensen met een psychische aandoening kunnen én willen werken. Daarnaast draagt het bij aan herstel, want door werk nemen psychische klachten af, terwijl werkloosheid ze juist versterkt. Onder werkelozen komen depressieve stoornissen vaker voor. Een werkplek biedt structuur, zorgt voor sociale contacten en draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde. Voor alle werkgevers: dit geldt alleen onder de juiste randvoorwaarden, zoals kwalitatief goed werk, werkplezier en zo nodig begeleiding. Het is belangrijk om te blijven monitoren of het werk nog aansluit bij de waarden van de werknemer. Weet hoe het met je medewerker gaat. Werkgevers kunnen veel betekenen voor medewerkers door een open en geïnteresseerde houding aan te nemen.

Starten met betaalde arbeid

Hoogleraar Lex Budorf deed onderzoek naar de effecten van werk en stelde vast dat starten met betaalde arbeid de psychische gezondheid verbetert. Dat geldt ook voor de fysieke gezondheid. Werk vergroot de controle over het eigen leven, verhoogt de zelfwaardering en maakt mensen gelukkig. Werkgelegenheid is daarom één van de belangrijkste aandachtsgebieden voor mensen met een psychische kwetsbaarheid die willen participeren in de samenleving.

“Voor mij betekent werk dat je lekker bezig bent en je ergens voldoening uithaalt. Die voldoening is voor mij heel belangrijk. Daarnaast vind ik het sociale aspect van werk heel belangrijk. Een leuke werksfeer met fijne collega’s. Daarom ben ik zo gelukkig met mijn huidige baan.”

(Deelnemer van re-integratiebureau Roads)

Volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD) heeft ongeveer 30% van de mensen met een WW-uitkering een psychische kwetsbaarheid, en ongeveer 40% van de mensen met een bijstandsuitkering. Van de 240.000 mensen met ernstige psychische problemen, hebben er slechts 38.400 een reguliere baan. Verder werken er 9.600 in een beschut-werk-omgeving en willen 55.680 mensen zonder baan graag werken. Van die mensen is ca. 75% onder behandeling bij de ggz en zouden er ca. 40.000 via de re-integratiemethodiek IPS (Individuele Plaatsing & Steun) naar een baan begeleid kunnen worden. Dat is alleen niet zo eenvoudig. Werkgevers zijn over het algemeen minder bereid om mensen met psychische beperkingen aan te nemen. Wanneer je de daarmee samenhangende economische lasten bekijkt, is het noodzakelijk om de mogelijkheden te verkennen om deze groep mensen beter te integreren in onze samenleving.

Sociaal ondernemen

Een sociale ondernemer helpt mensen met een psychische beperking om te re-integreren op de arbeidsmarkt. Mensen die in hun ogen onvoldoende op hun waarde ingezet worden. Het is een fijn alternatief voor bestaande voorzieningen als dagopvang en sw-bedrijven om die maatschappelijke waarde te verzilveren. Daarnaast is de arbeidsethos strikter dan in dagbestedingsprojecten vanuit de zorg. Er wordt op de werknemers gerekend. Dat geeft verantwoordelijkheidsgevoel, want medewerkers worden serieus genomen als werknemer.

Inclusieve samenleving

Een sociale onderneming wil een inclusieve arbeidsmarkt dichterbij brengen. Een arbeidsmarkt waar iedereen die kan en wil, een bijdrage aan de maatschappij levert en daar financieel voor wordt gewaardeerd. Maar liefst 1,5 miljoen mensen, waaronder psychisch kwetsbaren, staan aan de zijlijn van de arbeidsmarkt. Wachtend om aan het werk te kunnen en hun talenten te kunnen ontplooien. Als samenleving moeten we de sociale ondernemingen versterken, zodat zij meer mensen een baan kunnen aanbieden. Hoe? Door bijvoorbeeld producten of diensten in te kopen bij een sociaal ondernemer, draagt een organisatie een steentje bij aan een betere wereld. Inclusief ondernemen moet het nieuwe normaal worden.

Zofia Janssen, re-integratiebureau Roads

Werken aan de uitvoering

Bijna alle onderzoeksbureaus van naam en faam hebben zich de afgelopen jaren gebogen over de Banenafspraak, de participatiewet en de arbeidsmarkt in het algemeen. Ze hebben, het zij ze gegund, er vast goed aan verdiend. Nu ligt het grootste deel van die berg papier te versloffen in een ministerieel archief. De meeste onderzoeken leverden niks op. Maar… er is één uitzondering.

Ga aan de slag

In oktober 2016 schreef de Inspectie SZW het rapport ‘Werken aan de uitvoering’. Dit is echt een van de weinige onderzoeksrapporten waar we iets aan hadden in de afgelopen 7 jaar van de banenafspraak. Ook na 5 jaar zit dit onderzoek nog steeds in mijn hoofd. De boodschap is me uit het hart gegrepen en heeft nog niets aan relevantie ingeboet. In het kort was dat: gemeenten ga gewoon je ding doen! Ga met de mensen die zich melden in het kader van de participatiewet aan tafel, probeer een profiel te maken en ga aan de slag.

In de eerste jaren van de Banenafspraak gebeurde dat in de meeste gevallen niet. De gemeenten waren er nog niet aan toe. Het beleidsplan was nog niet klaar. De wethouder had het nog niet als prioriteit of wat de reden ook was. We moeten ook niet vergeten dat de gemeenten deze taak van de één op andere dag over de schutting geworpen kregen. Ze hadden geen tijd om zich voor te bereiden, er was veel minder geld beschikbaar en er waren weinig ambtenaren met ervaring op dit gebied. De 350 gemeenten worstelden allemaal met deze nieuwe taak. Ik gaf ooit een workshop op een VNG-congres. Daar vertrouwden ambtenaren me toe dat ze nog geen intake mochten doen. Ze moesten nog wachten op beleid. Dat is wel veranderd. Ik heb sterk de indruk dat veel gemeenten nu wel de hand aan de ploeg slaan, intakes doen en proberen hun doelgroep aan de slag te krijgen. Dat is ook zichtbaar in het grote groep mensen die vanuit de Participatiewet worden doorverwezen naar het doelgroepregister. Eerst kwam het overgrote deel uit de Wajong, nu komen de meesten vanuit de gemeenten.

Veel beleid, weinig aandacht voor uitvoering

Terugkijkend: één beleidsplan: geschreven door de VNG en wellicht per gemeente een beetje bijgepunt was genoeg geweest. En landelijk afstemmen van gemeentelijk beleid blijft ook nu nog nodig (niemand heeft mij ooit uit kunnen leggen waarom een thuiswonende jongere met een VSO-opleiding in de ene gemeente wel in aanmerking voor ondersteuning komt en in de andere niet). Het kan en mag niet zo zijn dat het afhankelijk van je woonplaats is of je wel of niet aan de slag komt.

Te veel beleid. Te weinig aandacht voor de uitvoering. Dat was de zwaarste conclusie van de Inspectie. En ik zeg het haar na. Ik zeg niet dat arbeidsmarktbeleid geen zin heeft, maar het gaat uiteindelijk altijd om de uitvoering. En veel belangrijker dan het voorgeschreven beleid is de manier waarop dat beleid ter plaatse wordt uitgevoerd. Het hangt, zoals ook zo vaak, op mensen en niet op papier.

Enthousiasme

Dat gaat veel verder dan de arbeidsmarkt alleen. In ons land, in onze bestuurscultuur, is veel meer aandacht voor beleid en structuren dan voor uitvoering en handhaving. Terwijl ik het zo vaak in de praktijk heb gezien. Eén goede aanvoerder van een WerkgeversServicePunt kan de hele boel ten positieve veranderen. Geen wethouder of beleidsplan doet hem of haar dat na. Zelfs één superenthousiaste medewerker op zo'n WSP kan het vuur al aansteken. En met een beetje mazzel trekt deze medewerker alle collega’s mee en worden ze ineens topscorer bij de bemiddeling van mensen met een arbeidsbeperking tussen alle andere WSP's in.

Ook het MKB, toch de motor van de Banenafspraak, barst niet van het beleid. Daar worden gewoon dingen gedaan. Vanuit welk motief dan ook. Vaak toch het bekende ‘het zal je kind maar wezen’-principe.

Sleutel tot succes

En laat de conclusie van de meeste onderzoeksrapporten over de Banenafspraak nu net zijn, niet altijd met deze helderheid omschreven, maar toch: ‘het lijkt erop dat je het gewoon maar moet gaan doen’. Laat dat nu net ook de conclusie zijn van bijna alle interviews met inclusieve werkgevers: je moet gewoon beginnen. Goed beleid is nodig, het landelijk afstemmen van gemeentelijk beleid is een voorwaarde voor verder succes van de Banenafspraak, maar de echte sleutel tot succes is werd door de Inspectie SZW in 2016 al duidelijk gedefinieerd: de uitvoering. Doen dus.

Aart van der Gaag is boegbeeld en inspirator van de projecten ‘Op naar de 100.000 banen’ & ‘Op naar de 25.000 banen’, initiatieven van werkgeversorganisaties en ministeries om werkgevers te enthousiasmeren rond de Banenafspraak. Van der Gaag is al zijn hele leven betrokken bij de onderkant van de arbeidsmarkt. Na een studie bedrijfseconomie was hij onder meer werkzaam bij de voorganger van CEDRIS, directeur van het Arbeidsbureau Utrecht en van Start Uitzendbureau, een tripartite stichting met als doel mensen zonder werk via uitzenden naar een (vaste) baan te brengen. Daarnaast werkte hij ook voor de commerciële uitzendwereld in diverse directiebanen.

Tegen het zere been

Zonder te kloppen worstelde hij zich door de deuropening.  Balancerend met een kop koffie in zijn ene hand en een been dat volledig aan het zicht werd onttrokken door een dikke laag gips, kwam hij al stuntelend de spreekkamer binnen gewaggeld. Terwijl de zweetdruppels op zijn voorhoofd parelden, ging hij op weg naar de stoel die uitnodigend op hem wachtte. Eenmaal binnen liet hij zich al hijgend en puffend in de gereedstaande stoel ploffen. Als een vorst op zijn troon zat hij eerst even bij te komen van zijn inspanningen. Nadat hij zijn ademhaling tot een normaal niveau had weten terug te brengen, vroeg ik hem uiterst beleefd waarmee ik hem van dienst kon zijn.    

Rekening van de zorgverzekeraar

Hij bleek een man van weinig woorden. Hij dronk zijn koffie slurpend en genoot zichtbaar van het stilte moment. Ondertussen graaide hij met zijn andere hand in zijn binnenzak en legde een rekening van zijn zorgverzekeraar op tafel.  Op de brief prijkte een openstaand bedrag van € 385,00. “Dat kan ik niet betalen met de uitkering die ik van jullie krijg”, zei hij.                   

“U wilt bijzondere bijstand aanvragen voor het eigen risico?” vroeg ik hem. Hij bewees een man van weinig woorden te zijn door een kort bevestigend antwoord. Ik legde hem uit dat hij altijd een aanvraag mocht indienen. Op grond van mijn professionaliteit en uit ethische overwegingen leek het mij op dit moment gepast om hem mee te delen dat de kans op het honoreren van de aanvraag niet erg groot was. Met de nodige afkeer en met tegenzin legde ik hem uit dat de kosten van het eigen risico behoren tot de zogeheten incidentele algemene kosten van het bestaan en dat hij daarvoor had moeten sparen of nu zou moeten gaan lenen.

Uitkering verhoogd?

Hij begreep het sneller dan dat ik ingeschat. “Dus ik moet het vanuit de uitkering betalen,” zo luidde zijn conclusie. Wetende dat dit niet mogelijk was, liet ik de vraag onbeantwoord en liet een bewuste stilte vallen. Niet dat dit hem uit het veld sloeg. Integendeel!  Hij vroeg mij of sinds de invoering van het eigen risico in 2008 de uitkering was verhoogd met het bedrag van het verschuldigde eigen risico. Ik antwoordde ontkennend.  

Zijn conclusie was kort, maar daarom niet minder waar. “Dus ik moet meer kosten voor eigen rekening nemen  zonder verhoging van het inkomen?” Ik zocht wanhopig naar woorden die de gevoelens van onrecht bij hem de kop  in zouden kunnen drukken. En terwijl ik zocht naar woorden die ik nooit zou kunnen vinden, kwam hij met zijn slotakkoord: “Dat is hetzelfde als jouw werkgever  jou vraagt meer uren te gaan werken voor het zelfde loon! Dat gezegd hebbende nam hij afscheid en vertrok. Zijn opmerking dreunde diep door in mijn gedachten. Uiteindelijk kwam ik tot dezelfde conclusie -Vreemd dat bij de invoering het eigen risico de norm nooit is verhoogd-.

Al zuchtend bedacht ik mij, zelfs het mooiste vak ter wereld heeft een keerzijde. 

Tjalling Smit, Juridisch Adviseur

Samen

We kunnen de beelden zo langzamerhand wel dromen. Sterker, we dromen ervan. Nare beelden vormen nachtmerries die we in onze stoutste dromen niet hadden kunnen bedenken.

Zo’n beeld van zo’n jongetje. Een jaar of zeven. Hij loopt helemaal alleen in een lange stoet van zwijgende vluchtelingen. Een iets te grote jas, alsof hij geleend is, met de capuchon op. Als hij dichterbij de cameraman komt, hoor je het zachte huilen. Klagend als een gewond dier.

Zijn eenzaamheid snijdt door de ziel. Waar zijn zijn ouders, zijn vriendjes, dat ene vriendinnetje waar hij stiekem een beetje verliefd op was, de bal waarmee hij voetbalde? En waar loopt hij heen? Waar komt hij terecht? Als hij honderd wordt, laten we het hopen, zal hij deze beroerde scène uit zijn levensfilm nog onthouden. 

Of die foto van de zwangere vrouw die halsoverkop uit de kraamkliniek vlucht. Ze kijkt radeloos; het kindje in haar bolle buik nog onwetend van de ellende in de boze buitenwereld.

Of die soldaat die de oude vrouw moeizaam over een stuk geschoten omheining helpt en zo snel mogelijk naar een gereedstaande bus dribbelt. Je hoort haar hijgen, de benen geven het haast op. Hij praat haar moed in, maar je ziet de vertwijfeling in zijn en haar ogen. In welke horrorfilm ben ik nu beland?

Een strijd waarvan we dachten dat die nooit meer zou komen

Ieder van u herkent de beelden. We kijken allemaal met ongeloof en afschuw naar een strijd in Europa, waarvan we gedacht hadden dat die nooit meer zou komen. De verschrikkingen in de Tweede Wereldoorlog hadden ons geleerd dat alleen een verenigd Europa, hoe moeilijk dat ook is, ons een blijvende vrede kan brengen. Want: “een volk dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht”.

We kijken allemaal met ongeloof en afschuw naar een strijd in Europa, waarvan we gedacht hadden dat die nooit meer zou komen

Dat klopte lang. Het was soms wankel, soms spannend en we hielden soms ons hart vast. Maar het ging lang goed. Tot het moment dat een Russische alleenheerser een alibi vond om gewelddadig een buurland te willen overmeesteren.

De gevolgen zijn verschrikkelijk. Op één dag reizen vanaf hier ontvluchten duizenden mensen huis en haard. Als we nu in de auto stappen, zijn we er al morgenochtend. Inmiddels zwermen duizenden Oekraïners uit over heel Europa. Zij zijn op zoek naar veiligheid, rust en liefde. De basisbehoeften van elk mens.

De wijze waarop Europa reageert is hartverwarmend. Vandaag staan in heel veel Europese steden mensen stil bij de ramp die zich nu in Oekraïne voltrekt. Ook in Emmen voelen we de enorme betrokkenheid van veel mensen, ik mag wel zeggen van iedereen, om iets te betekenen voor onze medemens. “De meeste mensen deugen,”, zegt Rutger Bregman; dat is in deze tijd geen hol gezegde en een sprankje hoop in barre tijden.

Nederland laat zich van zijn beste kanten zien. Er zijn tal van initiatieven om de vluchtelingen te helpen: het bieden van onderdak, het brengen van spullen, het storten van geld. Ook in onze gemeente wordt er aan alle kanten hulp aangeboden. Hartverwarmend!

Ontroerende les

Eerder deze maand was ik nog op een basisschool in de gemeente waar de kinderen 12 uur lang op allerlei manieren bezig waren om geld in te zamelen voor de vluchtelingen. Een ontroerende les voor het leven. Wie zegt dat we in een ik-maatschappij leven, kijkt niet goed om zich heen.

Inmiddels zijn er door heel Nederland duizenden mensen opgevangen. Daarmee zijn we er nog lang niet. We zullen ons moeten voorbereiden op een lang verblijf van vluchtelingen, die we op allerlei manieren zullen moeten ondersteunen.

En als ik vluchtelingen zeg, dan bedoel ik iedereen. Natuurlijk de mensen die uit Oekraïne zijn gevlucht of daar nog familie hebben.

Maar ik denk ook aan de Russische mensen die vluchten uit hun vaderland voor een alleenheerser die zij ook niet hebben aangesteld. Laten we de woede over de Russische aanval niet uiten richting Russische mede-Europeanen, die buiten hun schuld een veilig heenkomen zoeken.

Zoals onze premier zegt: “Wij zijn in strijd met Poetin en zijn regering, niet met Russen en al helemaal niet met Russen in Nederland”.

Laten zien hoe het wel kan

En laten we tot slot ook niet de vele vluchtelingen vergeten, die uit andere delen van de wereld zijn gevlucht voor oorlogsgeweld. Denk aan de mensen uit het Midden-Oosten of Afrika, die heel goed kunnen aanvoelen wat de Oekraïners nu meemaken.

De vrees bestaat dat deze crisis nog wel een tijd gaat duren. En zelfs de meest optimistische mensen, en daar reken ik mijzelf ook toe, denken wel eens in een onbewaakt moment: waar gaat dit naar toe? In vijftien jaar Drents burgemeesterschap lag ik zelden een nacht wakker. Maar sinds een paar weken heb ik wel eens beter geslapen. Dat hoor ik veel vaker om me heen. We zijn niet in de positie om slechte Russische mannen te beïnvloeden. Maar we kunnen in ieder geval één ding doen.

Ten eerste “aordig doen tegen mensen die niet aordig zijn”, zoals Lohues het zo mooi zingt. Laten we de ellende in Oekraïne ook zien als een kans om te laten zien hoe het wel kan. Wat minder onderling gedoe. En de mensen die hier naar toe vluchten op allerlei manieren een warm welkom bieden.

Wij zijn in gedachten bij die miljoenen mensen die nu op de vlucht zijn voor het barbaarse oorlogsgeweld. Het jongetje, de zwangere vrouw en die oudere dame. De mannen, jongens vaak nog, die genoodzaakt zijn om te vechten voor hun vaderland. De strijd in Oekraïne leert ons hoe kwetsbaar we zijn.
Maar dezelfde strijd verbindt ons ook. Laten we met woorden en daden onze medemens in nood helpen.

En laten we vervolgens hopen, bidden, smeken dat die vreselijke oorlog niet nog meer ontspoort en snel tot een einde komt.

Zodat we over niet al te lange tijd Leo Vroman na kunnen zeggen:

“Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze alle malen,
alle malen zal ik wenen.

Eric van Oosterhout, burgemeester Emmen

Pilot: samenwerking bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en gemeente werpt vruchten af

Hij is een jongeman, een twintiger, en wacht al ruim drie kwartier in de Werkplaats Financiën XL. Nerveus. Er zijn nog tien wachtenden voor hem. Dan is hij aan de beurt. Hij gooit zijn papieren naast de computer. Samen met een van de vrijwilligers gaat hij achter het scherm zitten. De gegevens worden ingevuld. Een fluitje van een cent. “Zo, dat is snel gepiept”, zegt hij. “Dat had ik zelf ook gekund.” Dan blijken drie aanslagen open te staan, waarvoor hij ook kwijtschelding kan aanvragen. “Dat kan wel kloppen, ik ben de laatste jaren af en aan dakloos geweest, ik heb net een huis gekregen.” De vrijwilliger belt even rechtstreeks met een medewerkster van de gemeentelijke hulplijn. Die bevestigt het, maar ziet tegelijkertijd ook dat er een boete van 120 euro uitstaat. Hij heeft al 3 jaar geen gemeentelijke belastingen betaald. Door de korte lijntjes kan er meteen een betalingsregeling getroffen worden. De jongeman gaat duidelijk opgelucht weg.

Noodkreet

De ‘piekwekenactie’ van het programma Geldzorgen in Brainport ontstond door de noodkreet van de Eindhovense maatschappelijke partners. Ze trokken aan de bel, omdat ze tijdens piekweken de ondersteuning aan inwoners nauwelijks nog georganiseerd kregen. Bijvoorbeeld bij het invullen van belastingformulieren, maar ook bij kwijtschelding.
Intensief samenwerken is het sleutelwoord van de werkwijze, we benutten ieders expertise om samen tot dat ene doel te komen: mensen (zo vroeg mogelijk) helpen bij geldzorgen om erger te voorkomen. De maatschappelijke partners spreken de taal van de mensen en kennen ze, Partnerfonds Brainport Eindhoven en Impact040 sluiten aan en versterken. Daar hebben ook de inwoners van de Brainportregio baat bij. Door de extra hulp van vrijwilligers kunnen de maatschappelijk organisaties hun gewone werkzaamheden voortzetten en ontstaat er geen opstopping.

Bedrijfsvrijwilligers

Hoe komen we aan die extra vrijwilligers? Die werven we. Het zijn wel bijzondere vrijwilligers: namelijk bedrijfsvrijwilligers. Medewerkers van bedrijven die bij het Partnerfonds en Impact040 aangesloten zijn en de kans krijgen om ‘in de baas zijn tijd’ vrijwilligerswerk te doen. Samen voor Eindhoven bemiddelt ze, een organisatie die gespecialiseerd is in het verbinden van bedrijven en maatschappelijke en sociale doelen. De bedrijfsvrijwilligers leren door vrijwilligerswerk ook andere vaardigheden ontwikkelen. Ze krijgen bijvoorbeeld meer begrip voor de noden in de samenleving en meer empathie. Behalve kennis hebben ze ook tijd en aandacht, daardoor voelen mensen zich gehoord en gezien.

Laagdrempelige campagne

Weer andere bedrijfsvrijwilligers ontwikkelden een communicatiecampagne voor de inloopweken. Daarbij leerden we van eerdere ervaringen. De communicatie staken we deze keer laagdrempelig in, dat gold ook voor de locaties van de inlopen, die concentreerden we midden in wijken. Wie bezochten zoal de inloop? Studenten, werkenden met een laag inkomen en ouderen die van een AOW’tje moeten rondkomen. Kortom, iedereen met een inkomen tot 120 procent van het sociaal minimum komt in aanmerking voor kwijtschelding en was welkom.

Partnerfonds Brainport Eindhoven en Impact040 mikken op een duurzame verandering voor zoveel mogelijk inwoners in Brainport. We willen krachten bundelen zonder een topzware organisatie te zijn. Daarom zoeken we aansluiting bij wat er al leeft op sociaal gebied. We passen projecten aan en versterken ze. Samenwerken is daarbij het sleutelwoord. Samenwerken van bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en gemeente. Samenwerken om van Brainport óók een Social Valley te maken. Een voorbeeld is een pilot van het programma Geldzorgen (de ‘piekwekenactie’): inwoners helpen bij het kwijtschelden van gemeentelijke belastingen.
Aan de piekwekenactie van Geldzorgen in Brainport doen mee: de gemeente Eindhoven, WIJeindhoven, Lumens, Sociaal Raadslieden, Werkplaatsen Financiën XL, Vrijwillige Hulpdienst Eindhoven, bedrijfsvrijwilligers en Samen voor Eindhoven.

Foto: Jos Lammers

Tegenstrijdig energiebeleid

Nederland worstelt met de hoge energieprijzen. Daarbij doet zich een merkwaardige tegenstelling voor. Aan de ene kant zijn er in het verleden allerlei heffingen ingevoerd om de energieprijs hoger te maken. Dat geldt zowel voor gas en elektriciteit als voor diesel en benzine. De bedoeling daarvan was het gebruik te ontmoedigen, vooral om daarmee de uitstoot van CO2 terug te dringen, dat immers sterk bijdraagt aan de opwarming van de aarde. Het betekent niet dat Nederland zelf daarmee de dans ontspringt, maar wel dat Nederland zich daarmee aan internationale afspraken houdt die zijn gemaakt om wereldwijd de uitstoot van broeikasgassen en daarmee de opwarming van de aarde te beperken.

Door: Paul Bordewijk

Redenen om minder energie te gebruiken

Sinds de Russische inval in Oekraïne is er een tweede reden om minder energie te gebruiken: zo beperken we de import van aardgas uit Rusland en kan dat land daardoor over minder financiële middelen beschikken om de oorlog te voeren.

Inmiddels zijn de prijzen van fossiele brandstoffen op de wereldmarkt sterk opgelopen. Dat ondersteunt het beleid om door heffingen tot een lager verbruik te komen: dat heet vraaguitval. Maar daarbij ontstaat een probleem. De mogelijkheden om op korte termijn zonder maatschappelijke schade het brandstofgebruik te beperken blijken op termijn heel bescheiden. Het gebeurt wel, de Nederlandse CO2 uitstoot was in het eerste kwartaal van dit jaar 13% lager dan in 2021. Maar dat was niet alleen door vraaguitval, maar ook door het mooie weer. Daardoor werd er minder gestookt en werd er meer weersafhankelijke energie (zon en wind) opgewekt.

De berichten over vraaguitval stemden ook niet alleen tot blijdschap. Bedrijven moesten sluiten vanwege de hoge gasprijs, en mensen met een laag inkomen kwamen in de kou te zitten omdat ze de gasrekening niet meer konden betalen. De term ‘energie armoede’ deed zijn intree.

De twee kanten van fossiele brandstof

Daarmee bleek dat er aan fossiele brandstoffen twee kanten zitten: ze dragen bij aan de opwarming van de aarde en daarom moet het gebruik worden tegengegaan, maar ze zijn voor veel mensen ook een eerste levensbehoefte, en dat moet je mensen gunnen. De verwarming van je huis staat daarmee op één lijn met onderwijs en gezondheidszorg, waarbij de overheid vraaguitval voorkomt door een belangrijk deel van de kosten voor zijn rekening te nemen.

Aardgas heeft daarmee twee gezichten: aan de ene kant heeft het sterke negatieve externe effecten, maar aan de andere kant is het een eerste levensbehoefte en daarmee een bemoeigoed. Dat maakt het lastig voor de overheid om beleid te voeren. Ik zou ook geen enkel ander goed weten waar je deze ambivalentie ziet.

Wat is rechtvaardig?

Er zijn verschillende uitwegen uit dit dilemma, maar die hebben wel elk hun eigen bezwaren. De overheid heeft een aantal heffingen verlaagd. Dat is gunstig voor mensen met een tochtig huis en een laag inkomen, en ook voor de wijkverpleegster die met de auto haar klanten langs gaat. Maar het voordeel komt voor een groot deel terecht bij mensen die het niet nodig hebben, en zo ook minder geprikkeld worden om een warmtepomp te nemen of hun benzineslurper te vervangen door een elektrische auto.

Je kunt ook inkomensafhankelijk een compensatie verstrekken. Er wordt nu € 800 per jaar verstrekt, maar dat is dan weer onafhankelijk van de isolatiegraad van je huis, en van je warmtebehoefte. Wie de hele dag het huis uit is verstookt minder dan wie de hele dag stijf van de reuma thuis zit. Moet je daar ook rekening mee houden?

En durven mensen zo’n toelage wel aan te vragen? Bij allerlei regelingen gebeurt dat onvoldoende. Zeker na de toeslagenaffaire loopt iedereen die een fout maakt bij het aanvragen (meterstand verkeerd ingevuld) het risico door de overheid te worden teruggepakt, ook al zou dat door de overheid ontkend worden. Want wie gelooft dat nou?

Je kunt ook bepaalde toepassingen van fossiele brandstoffen verbieden. Terrasverwarming is daar wellicht de eerste gegadigde voor. Of winkeldeuren die openstaan. Je kunt vliegen zwaarder belasten, in ieder geval even zwaar als andere vervoerswijzen, maar daarmee tref je dan ook wel weer mensen die bij hun familie in Turkije of Suriname op bezoek gaan.

De overheid zal het nooit goed doen. En dat komt door het tegenstrijdig karakter van ons energiegebruik: een bemoeigoed met sterke negatieve externe effecten.

Een inclusieve arbeidsmarkt vraagt niet om mooie woorden, maar investeringen

Werken, ik heb er zoals veel mensen niet elke dag zin in. Een dagje op de bank tv-kijken, of een dagje op stap met vrienden is meer uitnodigend. Ik heb echter helemaal geen hekel aan mijn werk. Als beleidsmedewerker bij de gemeente Dijk & Waard kan ik een bijdrage leveren aan de lokale samenleving, en dit sluit aan bij mijn brede interesse in maatschappelijke ontwikkelingen. Ook draagt het bij aan mijn persoonlijke ontwikkeling. In dit alles gaat er om dat ik goed werk lever, en het feit dat ik een lichamelijke beperking heb staat niet centraal.

Positie mensen met een arbeidsbeperking

Het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College) houdt toezicht op de uitvoering en naleving van het VN-Verdrag voor de rechten van mensen met een beperking in de Nederlandse samenleving. Afgelopen februari heeft het College de resultaten gepubliceerd van een derde onderzoek naar de positie van mensen met een beperking op het gebied van het zelfstandig leven in de maatschappij, onderwijs en werk. Omdat ik uit eigen ervaring weet wat werk voor meerwaarde kan brengen richt ik me in deze blog op het thema arbeid.

Uit de meting van het College blijkt dat 64% van de mensen met een beperking geen betaalde baan heeft. Ter vergelijking: van algehele beroepsbevolking had in hetzelfde jaar 22% geen baan. Uit het onderzoek blijkt dat hoe zwaarder de handicap van iemand is, hoe moeilijker het is om te werken. Hiernaast blijkt dat mensen met een lichamelijke beperking of chronische aandoening minder vaak behoefte hebben aan aanpassingen op het werk dan mensen met psychische aandoening. Dit kan zijn doordat de eerste twee doelgroepen al zelf over aanpassingen beschikken. Wel zijn er een positieve trends op te merken. Sinds 2016 vinden mensen met een lichte lichamelijke beperking en mensen met meerdere chronische ziekten vaker een baan.

Breng oorzaken in kaart

Ondanks dat het aantal mensen met een beperking met een baan tussen 2016 en 2020 is gestegen, blijft de arbeidsparticipatie van deze groep mensen achter lopen ten opzichte van de algehele beroepsbevolking. Ook kan de vraag worden gesteld of deze toename betekent dat de positie van mensen met een beperking op de arbeidsmarkt daadwerkelijk is verbeterd aangezien deze trend de algemene economische ontwikkeling in deze periode volgt. Nu ben ik er niet van op de hoogte of er al onderzoek is gedaan naar de oorzaken van deze achterliggende positie van mensen met een arbeidsbeperking. Volgens mij moeten deze oorzaken wel het uitgangspunt zijn voor het kunnen ontwikkelen van effectief arbeidsmarktbeleid. Uit eigen ervaring weet ik dat hoger opgeleiden met een beperking geen ondersteuning krijgen bij solliciteren. Volgens mij heeft het meerwaarde als ook deze groep ondersteuning krijgt, vooral ten aanzien van de communicatie over hun talenten en beperkingen.

Mogelijke oplossingen

Om de arbeidsmarktpositie van mensen met een beperking te verbeteren moeten er volgens mij verschillende dingen worden ondernomen. Met een individuele benadering moet er in kaart worden gebracht wat iemands talenten en beperkingen zijn en welke maatschappelijke activiteiten hier het beste bij passen. Een betaalde baan is een mooi streven, maar als dit voor iemand niet haalbaar is moet maatschappelijke toegevoegde waarde het uitgangspunt zijn, bijvoorbeeld vrijwilligerswerk. Omdat iemands talenten en beperkingen kunnen veranderen is coaching gedurende een gehele loopbaan belangrijk. Verder kan het denk ik helpen als er beter inzichtelijk wordt gemaakt welke vraag er op de arbeidsmarkt is. Hierdoor komt er meer inzicht in waar iemands talenten het beste kunnen worden ingezet. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat iemand niet één gehele functie kan invullen, maar misschien onderdelen van meerdere functies.

Concluderend stel ik dat het komen tot een inclusievere arbeidsmarkt niet alleen een inspanning vraagt van mensen met een arbeidsbeperking en werkgevers. Hiervoor is ook een investering van de overheid nodig.

Geraadpleegde bron: Inzicht in inclusie III | Mensenrechten

Mark Homan, Beleidsmedewerker sociaal domein Werkorganisatie gemeente Heerhugowaard & Langedijk / Algemeen bestuurslid CP Nederland.

Bondgenoten

Laatst sprak ik uitgebreid met een vakgenoot. Hij kent het werkveld schuldhulpverlening al vele jaren. We spreken onder andere over wetgeving, over noodzakelijke grondige herziening, over stoppen met pleisters plakken. We zien allebei dat het zo niet langer kan. We zijn ook niet de enigen. Sterker nog, steeds meer actoren, ook politici, juristen en onderzoekers, zien dat fundamentele hervorming noodzakelijk is. De roep om verandering zwelt aan en is niet meer te ontkennen.

Door: Maarten Bergman

Schone lei voor schuldhulpverlening

Wat mij betreft gaat dat veel verder dan alleen een schone lei voor schuldhulpverlening. Zonder herdefinitie van het minimuminkomen, het afschaffen van het verdienmodel in de incasso industrie en de wijziging van de financiering van beschermingsbewind, is samenvoeging van het minnelijk en wettelijk traject schuldhulpverlening zinloos. Al deze terreinen moeten onderdeel zijn van een integrale hervorming. Dat betekent dat er iemand moet opstaan die de moed, visie en het mandaat heeft om domein overstijgend te acteren.

Natuurlijk hoort bij nieuwe wetgeving ook een centraal registratiesysteem. Legio deelregistraties die zelfs samen geen compleet beeld van de schuldenproblematiek geven, zijn velen een doorn het oog. Bovendien zijn hier verschillende commerciële bureaus actief. Het bestaan van schulden is in allerlei opzichten big business geworden. Een miljardenindustrie, waar ook detacheerders en opleiders deel van uitmaken. We hebben recent allemaal gezien wat dat doet met de kwaliteit van de dienstverlening.

Terwijl we gedachten en ideeën uitwisselen, valt me iets op. Dat we het vooral eens zijn. Er is eigenlijk maar één opvallend verschil: hij denkt in systemen, strategieën en anticipeert op (onbewezen) obstakels. Ik niet, omdat ik niets ambieer, alleen het maximaal haalbare wil doen. Zonder voorbehoud. Met als gevolg dat ik in zijn redenaties minder vrijheid van denken herken. Hij streeft naar resultaat, wil effectief zijn, zoekt naar compromissen, censureert zijn gedachten voordat hij ze uitspreekt.

Water bij de wijn

Ik hoor bijna waar hij op het punt staat zich niet te laten hinderen door tactiek en draaiboeken. Om zich dan uiteindelijk toch te laten leiden door de angst voor falen. Hij beoogt verandering, maar doet water bij de wijn omdat hij vreest dat het anders niet gaat lukken, omdat er politieke of bestuurlijke weerstand verwacht wordt. Dat noemt hij stap voor stap. Niet te veel tegelijk willen. De lat niet te hoog leggen. Het zijn precies die sussende teksten die waarlijke vernieuwing in de weg staan.

Intussen bestaan er diverse moties en wetsvoorstellen die min of meer hetzelfde nastreven. Opvallend is dat daarin niet of nauwelijks samenwerking wordt gezocht. Diverse koepelorganisaties zijn ook opvallend stil. Mogelijk uit angst voor verlies van positie. Eigenbelang en territoriumdrift spelen helaas een grote rol, terwijl daarmee de oorspronkelijke drijfveer, de persoon met schulden helpen, geheel uit het oog is verloren.

Handvest presenteren

Daarom stel ik voor om een bondgenootschap aan te gaan. Zonder ego of berekening. Om over de eigen schaduw heen te stappen en belangeloos een breed gedragen Handvest te presenteren. Een voorstel dat de tsunami van alle rapporten en onderzoeken van de afgelopen jaren overbodig maakt.

Een brede alliantie die met overtuigende argumenten (zowel cijfermatig als menselijk) een niet te negeren beweging vormt. Die politieke weerstand doet verdampen. Die beroep doet op het diepere weten dat we allemaal bezitten. Een Handvest Bondgenoten dat maar tot één ding kan leiden: een eenduidig traject dat uitgaat van grenzeloos maatwerk, dat zorg voor de persoon met schulden weer centraal stelt, dat de verantwoordelijkheid bij één regisseur legt, dat schulden kwijtscheldt wanneer er geen draagkracht is, dat niet uitgaat van straffen of tegenprestatie, maar van gezondheid en welzijn.

Wie wil dat nou niet? Iedereen is van harte welkom!

Maarten Bergman, Zelfstandig trainer en adviseur schuldhulpverlening Coördinator AdministratieMaatje bij de Vrijwillige Hulpdienst Eindhoven

Wat we kunnen leren van circusartiesten

Circusartiesten. Het zijn er naar schatting tussen de 100 en 150 en ze is hiermee de kleinste beroepsgroep van ons land. Een rondgang langs 28 circusprofessionals laat zien dat we veel kunnen leren van hun streven naar werkgeluk. Daarnaast roept het actuele vragen op over sociale zekerheid en over het huidige adagium om vooral te kiezen voor krapteberoepen.

Nederlandse circusartiesten: wie zijn het?

Iedereen heeft ideeën én herinneringen bij het woord circus. Naast de traditioneel, reizende circusondernemingen is er in de laatste drie decennia meer en meer aandacht in Nederland voor het zogenaamde ‘nieuwe circus.’ Waar de meesten van ons het circus waarschijnlijk nog zullen associëren met de meer traditionele verschijningsvorm, is het juist de nieuwe variant die snel aan belang wint. Niet zozeer als opvolger van het traditionele circus, maar eerder als een nieuwe variant ernaast, waarbij gebruik wordt gemaakt van mengvormen tussen muziek, theater, dans en circustechnieken. Inmiddels zijn er twee professionele circusopleidingen in ons land, er zijn tussen de 100 en 150 circusartiesten en jaarlijks gaan er naar schatting meer dan 1,5 miljoen Nederlanders naar een voorstelling. De gemiddelde circusartiest is 39 jaar (meestal vallend in de leeftijdsgroep van 30 tot 59 jaar) en overwegend werkzaam als zelfstandige zonder personeel (zzp’er). In het traditionele circus zijn de werkenden vaak praktischer geschoold dan in het nieuwe circus en er wordt wat vaker met vaste arbeidscontracten gewerkt. Het is een bijzondere en nog altijd kleinste beroepsgroep van Nederland. Maar hoe klein de beroepsgroep ook is, het is een branche waar alle grote discussies over flexibilisering, sociale bescherming en de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt bij elkaar komen.

Een verhaal over veerkracht en onzekerheid

Voor een boek over circusartiesten sprak ik vorig jaar met 28 Nederlandse circusprofessionals, met name over hoe ze betekenis geven aan hun leven en loopbaan in de circuswereld. Het werd een verhaal over het aanstekelijke idee van een avontuurlijk en passievol leven. Dit heeft primair te maken met het op jonge leeftijd kiezen voor een loopbaan die volledig aansluit bij iemand zijn identiteit, waardoor de persoon en beroep als het ware in elkaar samensmelten. Dit levert veel doorzettingsvermogen, zelfvertrouwen en creativiteit op. Van deze vorm van veerkracht plukken ze duidelijk de vruchten in hun omgang met tegenslag en onzekerheid. Want die is er ook. Werken in het circus betekent namelijk vooral projectgestuurd werken, in binnen- en buitenland, op straat, in tenten en theaters, op onregelmatige locaties en werktijden en voor verschillende doelgroepen en opdrachtgevers. Bijna iedereen is zzp’er en dat is onlosmakelijk verbonden met een vorm van inkomensonzekerheid.

Wat we kunnen opsteken van het circusverhaal

Maar waarom is deze branche ook voor mensen buiten het circus interessant? Allereerst laat deze casus zien dat inkomensonzekerheid op zichzelf geen probleem hoeft te zijn. Althans, wanneer je niet op zoek bent naar een vaste baan met vaste uren en inkomsten. De circusartiesten laten ons zien dat werkgeluk niet wordt bepaald door zaken als inkomen en status. Het gaat ze er veel meer om dat ze werk doen dat uitdagen en spannend is én bij ze past als persoon. Dit zet recente discussies over het instellen van een ‘numerus fixus’ op opleidingen ‘waar jongeren van dromen’ (zoals de voorzitter van Techniek Nederland, Doekle Terpstra, het graag ziet) in een ander daglicht. Jaren geleden was ik daar ook voorstander van en laten we jonge mensen vooral zo goed mogelijk blijven voorlichten over hun latere baankansen. Maar laten we zeker niet tornen aan het belang van een vrije studiekeuze. Niet iedereen droomt van een baan in de techniek en het circusverhaal laat bij uitstek zien dat mensen zich met vallen en opstaan prima op de arbeidsmarkt kunnen redden. Gelukkig word je pas van een beroep dat bij je past en het werk dat levensvoldoening geeft.

Zijn er dan helemaal geen problemen? Zeker wel. Een daarvan is het gebrek aan sociale basiszekerheid. Bij langdurige ziekte is er op dit moment geen verzorgingsstaat die de sociale risico’s voor de zelfstandige circusmensen opvangt. In Nederland heeft ongeveer een op de vier zzp’ers geen enkele voorziening om de gevolgen van arbeidsongeschiktheid op te vangen, zij kunnen dus ook niet terugvallen op eventuele spaartegoeden of broodfondsen. Is het niet een kwestie van beschaving dat iedereen in de samenleving, zelfstandige of werknemer in loondienst, zich op een basisniveau zou moeten kunnen verzekeren ten aanzien van risico’s die iedereen kunnen treffen? Of het nu gaat om een verplichte basisverzekering óf om een goedkope private variant, laten we snel afspraken maken om een betaalbare verzekering voor zzp’ers tegen het risico van arbeidsongeschiktheid in het leven te roepen. Politieke besluitvorming heeft op dit moment nog altijd niet plaatsgevonden, hoewel er een voorstel ligt van de Stichting van de Arbeid.

Tot slot nog een ‘hartekreet’: we mogen we ons best wat meer gaan interesseren voor het Nederlandse circus als cultureel erfgoed. Waar we bereid zijn om 175 miljoen euro te betalen voor een schilderij van Rembrandt, steekt het schrapen van middelen via subsidies en fondsen door circusondernemingen schril af. Hopelijk draagt deze blog daarom ook een beetje bij aan een hernieuwde kennismaking met deze bijzondere beroepsgroep.   

Fabian Dekker, Arbeidssocioloog en als senior onderzoeker verbonden aan SEOR/Erasmus Universiteit Rotterdam

En toen was er geen probleem meer…

Mijn laatste werkdagen achter mijn eigen keukentafel komen in zicht en het leven gaat beetje bij beetje terug naar het “normale”. Maar wat is dat normale en is dat goed genoeg? De verwachtingen op economisch en sociaal gebied waren zeer negatief bij de start van de pandemie. De economische vooruitzichten werden als zeer slecht bestempeld en de schuldenproblematiek zou explosief toenemen. De meest gunstige variant gaf een stijging van de, toch al forse, schuldenproblematiek aan met 14% en het worst case scenario liet een stijging zien van 80% in een paar jaar tijd (Deloitte en Schuldenlab.nl).

Problematische schulden

Uit het dashboard Schuldenproblematiek in beeld bleek dat er in Nederland op 1 oktober 2020 ruim 614 duizend huishoudens met problematische schulden geregistreerd stonden. Dat is 7,6 procent van alle particuliere huishoudens. Voor de coronapandemie was dat 7,9 procent. Wat niet is gemeten zijn de ontwikkelingen van huishoudens met risicovolle schulden. Ondanks dat we inmiddels anderhalf jaar verder zijn, denken we niet dat dit beeld ingrijpend is veranderd. Wel zijn we erg benieuwd hoe een en ander zich de komende tijd gaat ontwikkelen. We zien de inflatie schrikbarend toenemen met 6,4%, het hoogste niveau in 40 jaar tijd. De prijzen van boodschappen, energielasten en benzine nemen flink toe. Een en ander resulteert in een daling van de koopkracht voor 117 huishoudtypen heeft het Nibud berekend. Dat wil zeggen dat de uitgaven harder toenemen dan de inkomsten. Dit zet het netto te besteden inkomen onder druk. Als huishoudens netto minder te besteden hebben en de wereld gaat langzaam weer open waardoor ze ook meer uit gaan geven is het  de vraag wat dit gaat doen met de schuldenproblematiek.

Gelukkig hebben we wel een nieuw kabinet dat een regeerakkoord heeft afgesloten met als mooie werktitel “Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst”. Het kabinet heeft de ambitie om de brede armoede- en schuldenaanpak met volle kracht door te zetten. Ze nemen maatregelen om het aantal kinderen dat in armoede opgroeit in vier jaar tijd te halveren. Ook een herijking van het sociaal minimum om vast te stellen of dit toereikend is om van te leven en om mee te doen in de samenleving heeft hun aandacht. Mooie afspraken maar ondertussen is er sprake van enige urgentie. We lezen steeds meer berichten over groeiende problemen vanwege energie armoede en de stijgende prijzen. De budgetplannen van huishoudens, die geholpen worden met het financieel rondkomen, staan fors onder druk waardoor huishoudens maandelijks minder netto te besteden hebben. Mooie initiatieven als het Nationaal Jeugd Ontbijt zijn helaas hard nodig om ervoor te zorgen dat kinderen niet met een lege maag naar school gaan.

Afstand tussen hulpverlening en hulpvrager

In de afgelopen twee jaar is het minder goed gelukt om mensen met schuldenproblematiek zover te krijgen dat ze zich melden bij de officiële schuldhulpverlenende organisaties. Dat heeft ermee te maken dat vele loketten dicht gingen en er werd overgeschakeld op digitale dienstverlening. Als we zien dat het aantal aanvragen voor schuldhulpverlening in de afgelopen twee jaar grosso modo is gedaald dan kunnen we de voorzichtige conclusie trekken dat afstand tussen hulpverlening en de hulpvrager niet werkt. Daarbij is het natuurlijk ook zo dat de samenwerking tussen de vele partijen die actief zijn in de jungle van het sociale domein elkaar ook minder hebben getroffen. Wat helpt is elkaar weer echt ontmoeten!

Wat de toekomst gaat brengen weet ik niet. De ambities van het kabinet zijn niet mals en wat zou het mooi zijn als we over drie jaar kunnen zegen dat het aantal kinderen in armoede gehalveerd is en dat initiatieven als het Nationaal Jeugd Ontbijt nauwelijks meer nodig zijn. Zoals ik het nu inschat moet er dan nog heel veel water door de Rijn stromen. Ook weer niet te veel want we hebben onze portie overstromingen wel gehad in het afgelopen jaar. Een ding is zeker het netto besteedbaar inkomen stroomt de komende tijd niet over en bestaans(on)zekerheid van kwetsbare mensen blijft een actueel thema waar we samen de schouders onder moeten blijven zetten.

Ruud van den Tillaar, directeur Kredietbank Limburg

Inloggen


Sluit venster