Twee maanden geleden zat ik met een vriendin te praten. Midden dertig, manager, verantwoordelijk voor een team jonge professionals. Ze vertelde me hoe ze 's avonds op de bank zit met Netflix aan, maar eigenlijk continu nadenkt over haar werk. Die ene medewerker die dreigt vast te lopen, budget dat niet klopt, reorganisatie die eraan komt. "Ik wéét dat ik er nu niks aan kan doen," zei ze. "Maar ik kan het niet loslaten."
Vorige week hoorde ik dat ze ziek thuis zit met flinke burn-out klachten.
Het raakte me meer dan ik had verwacht. Niet alleen omdat ik om haar geef, maar omdat ik me afvraag: wat maakt dat de een uitvalt en de ander niet? Niet in de zin van "wie doet het beter", maar echt: wat is hier aan de hand? En dat ‘niet-kunnen-loslaten’ heb ik ook, dus loop ik dan ook dat risico?
De mythe van de harde werker
We hebben in Nederland een hardnekkig en eigenaardig ideaal. De professional die altijd bereikbaar is en 's avonds nog even mail checkt. Die in het weekend zakelijke appjes beantwoordt en tegelijkertijd speelt met de kinderen. We noemen dat betrokken, gedreven en toegewijd. En ergens hebben we dat verheven tot professioneel goed gedrag.
Onderzoek vertelt een ander verhaal. Een longitudinale studie volgde werkende volwassenen gedurende een jaar en bekeek hun vermogen tot "psychological detachment” oftewel mentaal loslaten. De resultaten zijn confronterend: mensen die beter konden loskoppelen van hun werk, hadden na dat jaar significant minder emotionele uitputting, minder angstklachten en een hogere score op hoe tevreden ze waren over hun leven. Maar het meest interessante? De mensen die tijdens dat jaar leerden om beter los te laten, lieten de grootste verbetering zien in mentale gezondheid. Het vermogen om los te laten is dus niet aangeboren. Het is aan te leren.
Het is niet de werkdruk, het is wat je ermee doet na werktijd
Hier komt het ongemakkelijke deel. Want we praten veel over werkdruk. Te weinig mensen, te veel werk, te weinig tijd. En ja, dat is allemaal waar. Maar andere onderzoeken laten zien dat medewerkers met hoge werkdruk die wél goed mentaal kunnen loskoppelen, significant minder burn-outklachten vertonen dan collega's die niet kunnen loslaten.
Lees die zin nog een keer. Het is dus niet alleen de stress zelf. Het is vooral wat er gebeurt ná werktijd. Of je hoofd is achtergebleven op kantoor. Of je 's nachts wakker ligt van problemen op het werk of met oplossingen die je uit je slaap houden. Of je tijdens het eten met je partner eigenlijk aan die vervelende mail zit te denken.
In de psychologie heet dit ruminatie. Ik noem het piekeren. Dat eindeloze gedachtemalen zonder dat je tot nieuwe inzichten komt. En hier wordt het link met burn-out echt duidelijk: ruminatie houdt je sympathische zenuwstelsel geactiveerd. Je stresshormonen blijven hoog en zo ook je hartslag. Je lichaam denkt dat je nog steeds aan het werk bent, ook al lig je in bed.
De cijfers die we liever niet zien
Een kwart van de werknemers tussen achttien en vierendertig jaar heeft burn-outklachten. Bij studenten in het hoger onderwijs ligt dat percentage boven de vijftig procent. Drieënveertig procent van de jongvolwassenen voelt zich heel vaak gestrest. We kunnen doen alsof dit een individueel probleem is. Alsof mensen gewoon beter moeten leren omgaan met stress en veerkrachtiger moeten zijn. Allemaal aan de yoga en mindfulness.
Maar de verantwoordelijkheid ligt wat mij betreft niet alleen bij het individu. In veel teams heerst een impliciete norm. Je bent een goede professional als je betrokken bent en altijd dat stapje extra zet. We zien het, normaliseren het en het applaus volgt. Maar wat zeggen we daarmee tegen de professional die om vijf uur de laptop dichtslaat en daadwerkelijk stopt met nadenken over werk? Die de werktelefoon uitzet in het weekend? Die nee zegt tegen die extra verantwoordelijkheid omdat ze haar grenzen kent?
Vaak kijken we net iets minder waarderend naar die persoon. Minder gedreven. Of we zeggen het te bewonderen, maar als het erop aankomt handelen we niet naar die waardering. Terwijl het onderzoek aantoont dat juist die persoon het langste vol zal houden. Dat juist die persoon over vijf jaar nog steeds met energie en scherpte het werk doet, terwijl de altijd-maar-doordraaiers uitvallen.
Dus hier is de vraag die ik aan jullie wil voorleggen: wat voor cultuur creëren we eigenlijk?
Belonen we mensen die grenzen stellen of mensen die ze overschrijden? Vieren we de professional die na een hectische week even offline gaat, of de professional die "gewoon doorwerkt"? Hoe reageren we als iemand zegt: "Ik moet even stoppen, mijn hoofd is vol"?
Want we kunnen wel praten over burn-outpreventie en duurzame inzetbaarheid en veerkracht. We kunnen cursussen geven en mindfulness-apps aanbieden en het belang van werk-privébalans benadrukken. Maar als de manager tegelijkertijd om negen uur 's avonds mails stuurt en de collega die om half vijf weggaat wordt aangekeken alsof ze parttime werkt, dan is de boodschap glashelder: loslaten wordt niet gewaardeerd hier.
Geen oplossingen, wel een spiegel
Ik ga je geen stappenplan geven. Geen vijf tips om beter los te laten of rijtje interventies voor meer psychological detachment. Want eerlijk? Ik ben er zelf ook niet zo’n ster in.
Daarom een spiegel want dit onderwerp vraagt om eerlijkheid. Over wat we vragen van mensen in hun werk. Die balans tussen prestatie en welzijn. Misschien verwachten we onmogelijke dingen van professionals: geef alles, maar brand niet op.
Die manager die uitviel? Die gaf niet te veel om haar team. Ze gaf te weinig om zichzelf. En wij hebben dat aangemoedigd. Of in ieder geval niet ontmoedigd.
En nu?
Misschien is de vraag niet hoe we mensen leren beter los te laten. Misschien is de vraag: waarom hebben we een systeem gecreëerd waarin loslaten al een prestatie op zich is geworden?
Want als een kwart van je jonge professionals uitvalt aan burnout, dan is het probleem niet dat ze niet goed genoeg kunnen ontspannen. Dan is het probleem dat we hebben toegestaan dat een situatie ontstaat waarin permanente mentale overbelasting normaal is geworden.
De cijfers zijn er. Mensen die mentaal kunnen loskoppelen van hun werk, overleven. Mensen die dat niet kunnen, vallen uit. De vraag is: wat gaan we daarmee doen?
En belangrijker nog: welk soort professional willen we over vijf jaar nog hebben? De doordraaier die uitgebrand op de bank zit? Of de professional die grenzen heeft leren stellen en daarom nog steeds met energie en scherpte haar werk doet?
Het antwoord lijkt me duidelijk. De vraag is of we de moed hebben om ons beleid daarop aan te passen.
Petra Wildoer, Jobcoach bij SWOM (Stichting Studeren en Werken Op Maat).




